Heel lang geleden zat er een soldaat te wachten voor het Witte Huis in Washington. Deze soldaat huilde en zat met zijn handen in het haar.
En een klein jongetje kwam langs en vroeg waarom huilt u?
En die soldaat zei: ‘Ik wil naar de President toe, maar ik krijg hem niet te spreken’. En toen zei dat kleine jongetje: ‘Ja, het is niet zo makkelijk om de President te ontmoeten, maar kom met mij mee!’

En het jongetje gaf hem een hand en wandelde met deze soldaat gewoon langs de wachtpost van het Witte Huis, en niemand reageerde. Hij liep met hem over het gras van het Witte Huis en niemand zei iets. Daarna liep hij met hem, het Witte Huis in en niemand hield ze tegen.
Ze liepen linea recta naar de deur van de president, naar zijn kantoor, en hij zei tegen de president, tegen Abraham Lincoln: ‘Papa, deze man wil even met jou praten!’

Weet u, zo is het eigenlijk ook met ons. Wij willen zo graag aan God vertellen, wat ons pijn heeft gedaan, wat mis is gegaan, waar we sterk hadden moeten zijn en toch zijn gevallen.
We hebben God veel te vertellen, waarom we Zijn genade heel hard nodig hebben, en daarom is het de Zoon, die onze hand vastpakt en ons aan de Vader toont: ‘Vader, ook deze is een kind van U, die Uw genade heel hard nodig heeft.

Door de Zoon, hebben wij altijd rijkelijk toegang tot de troon van de Vader. Hoe vind je dat?

“Maar wij hebben een machtige Hogepriester. Hij is de hoogste hemel binnen gegaan. Die Hogepriester is Jezus, de Zoon van God. Aan dat geloof moeten we vasthouden. We hebben een Hogepriester die ons kan begrijpen als we zwak zijn.
Want we hebben een Hogepriester die op dezelfde manier als wij met het kwaad te maken heeft gekregen. Maar Híj werd nooit ongehoorzaam aan God. Daarom mogen we altijd vol vertrouwen naar Gods troon komen. God verlangt ernaar om ons te vergeven. Daarom zullen we van Hem vergeving krijgen wanneer we verkeerd hebben gedaan. Want Hij zal altijd goed en vriendelijk voor ons zijn. Hij zal ons op het juiste moment te hulp komen.” (Hebreeën 4:14-16)